La Prologue

Ga naar beneden

La Prologue

Bericht  Bertje op do nov 20, 2008 1:55 pm

La prologue
Op verzoek van onze aller-eigenste Kevin kom ik met nóg een levenloos HM-verhaaltje xD Ditmaal over de tijd vóór HM, ofwel; de geschiedenis van de personages ^^ Well, enjoy, once again xD

De proloog zal in stukjes gestuurd worden, omdat het nogal veel zal zijn (: We trappen af met Faith en Maddie ^^

Het verhaal van Faith en Madison Williams
-Krák-
“MADDIE!”
Madison kijkt geschrokken op. Uh-oh. Ongelóóflijk wat een gehoor dat mens heeft. Ze schuift het ballerinaatje met een vloeiende beweging de sofa onder. Ze springt op, vouwt haar handjes achter haar rug en kijkt lichtelijk schuldbewust naar haar voetjes. De deur vliegt open, en Faith komt boos binnenstappen, handjes in de heupjes, Madison streng aankijkend.
“Wát heb je gedaan?” vraagt ze scherp. Madison kijkt op, haar zus met een poeslief gezichtje aankijkend.
“Niets,” antwoordt ze met een mierzoet stemmetje. Faith knijpt haar ogen samen, en kijkt naar de sofa. Madison bijt op haar lip, buiten het zicht van haar zus, en ziet er gespannen op toe hoe Faith een zoektocht begint. Nee, niet onder de vierkante, felgekleurde kussentjes. Niet onder het zitkussen of achter de rugkussens. Ook niet onder het quilt. Aha! Faith zakt door haar knietjes, en Madison slaakt een protesterend kreetje.
“Mina!”
Geschrokken grijpt Faith naar het popje. Met tranende oogjes kijkt ze naar haar geliefde ballerinaatje, wiens arm eraf ligt. Woedend draait ze zich naar Madison.
“WAAR IS DE ARM?” gilt ze. Madison slikt, haar ogen flitsen even naar de deur. Ok, één, twee… Ze gooit het armpje naar Faith, en rent naar de deur. Faith zet het op een krijsen.
“MAMA, MADDIE HEEFT MINA STUKGEMAAKT!”
“Het was een ongelukje!” roept Madison over haar schouder, de trap naar zolder opstormend. Onder haar hoort ze een zucht, een zachte lach, en daarna haar moeders zware voetstappen.
“Ssst, Faith, lieverd, ’t komt goed…” sust ze glimlachend, de snikkende Faith over haar blonde bolletje aaiend. Ze trekt haar staf, en met een klein tikje op Mina’s schouder is Mina weer volledig de oude. Faith kijkt blij op, en drukt een kus op haar moeders wang.

Vijf jaar later – Faith is elf, Madison tien. Hun vader draait de sleutels in het slot, en opent de voordeur. Hij knippert even tegen het felle zomerzonlicht in, en stapt naar buiten. Faith loopt vrolijk neuriënd achter hem aan, en Madison springt haast de drempel over.
“Voorzichtig!” bijt Faith met bezorgdheid, als Madison bijna voorover valt, maar het kwam er vijandiger uit dan bedoeld. Madison steekt haar tong uit, en begint binnen de lijntjes van de stoeptegels te hinkelen. Hun vader kijkt even naar de overkant van de drukke straat; het park is nog rustig.
“Kom op,” glimlacht hij, Faith bij de hand nemend. “Links kijken, rechts kijken, nog een keer links- MADISON, KIJK UIT!”
“MADDIE!” gilt Faith hysterisch. Madison kijkt verdwaasd op; ze was al vrolijk de weg opgerend om naar het park te sprinten. BAM. Faith slaakt een kreetje, slaakt haar handen voor haar ogen, er klinken piepende banden, ze hoort haar vaders schreeuw, een angstkreetje van Madison, en een doffe plof. Faith blijft trillend, haar ogen dichtgeknepen houdend, staan, maar haar vader snelt naar Madison toe, die huilend op de grond ligt. De automobilist die haar aanreed stapt geschrokken uit.
“G-gaat het?” hakkelt hij verbluft, en trillerig. Madison kijkt snikkend naar hem op.
“J-ja,” jammert ze. “M-m’n been doet alleen een beetje p-pijn.”
Getoeter, met een flink aantal decibel ook. De automobilist verontschuldigd zich, zet de auto aan de kant, en staat erop hen naar het ziekenhuis te begeleiden, maar vader weigert.

Een uurtje later zit Madison vrolijk op haar bed, met de ballon te spelen die ze van één van de Helers had gekregen. Faith zit met rode, gezwollen oogjes naast haar. Op de gang hoort ze haar ouders ruziën. Ooh, het was allemaal haar schuld! Als zij beter op had gelet, was Maddie nooit zomaar de straat op gerend. Dan was mama nooit boos geworden op papa. Ze slikt de brok in haar keel weg. Misschien… als ze gewoon… misschien waren haar ouders dan nooit gescheiden… Madison kijkt vrolijk naar haar zusje om.
“Ook een bonbon?”

Glimmend van trots stapt Faith naar voren. Wauw, haar diploma! Met letterlijk glimmende en rode wangetjes en een smile van oor tot oor stapt ze het podium op. Ze pakt de rol perkament aan, schudt de hand van de Hoogmeester, en maakt een klein buiginkje naar het klappende publiek. Ze moet even lachen als ze Madison uitbundig op een stoel ziet springen, met een groot spandoek. “HUP, FAITH, HUP! PAK GEWOON DIE CUP!” Ze smoort vlug haar gegiechel, en stapt naar het altaartje, waar ze de ceremoniële Helersbeker aanpakt en een klein slokje neemt. Haar mentrix glimlacht naar haar, knikt, en ze neemt plaats bij alle andere geslaagden. Eindelijk, haar Helerscarrière kan beginnen!

Madison belt aan, en wacht ongeduldig tot Faith opendoet. Ze belt nogmaals.
“FAAAIIITH!” schreeuwt ze naar boven. Faith opent het raam, en gaat er lachend uithangen.
“Maddie!” roept ze verrukt. “Ik kom eraan!”
Vlugge voetstappen, bij de laatste paar trees springt ze, haalt de kettingen van de deur, en trekt hem dan met een blij gezicht open. Madison grijnst.
“Hèhè, het werd wel eens tijd,” zeurt ze ongemeend. Ze geeft haar zus een knuffel, en stapt naar binnen. Faith sluit de deur, en kijkt trots glimlachend op naar haar zusje.
“Je raadt nóóít wat ik zojuist heb gehoord!”
Madison trekt een nadenkend gezicht.
“… je hebt een vriendje gevonden?” vraagt ze hoopvol. Faiths blije verzicht vertrekt even in sarcasme, maar klaart onmiddellijk weer op.
“Nee, veel beter!” zegt ze enthousiast, naar boven lopend, en haar zusjes jas aanpakkend. “Weet je nog dat mijn boek uitgegeven werd?”
Madison knikt, en ploft in een stoel. Faith loopt naar de keuken, haar stem een beetje verheffend zodat Madison haar nog kan horen.
“Nou,” gaat ze verder, thee zettend. “Het blijkt echt een enorm succes te zijn! Ik was het er eerst helemaal niet mee, eens, maar… ik ga nog een boek schrijven!”
Madison glimlacht, pakt de thee aan en laat een vrolijk en aanmoedigende “Yay!” klinken.
“Dus, waar gaat het over?” vraagt ze nieuwsgierig. Faith gaat naast haar zitten, opgewonden.
“Nou… dat brengt me op het tweede,” zegt ze, glimlachend. “Weet je nog, dat spookhuis waar ik je over vertelde? Waar ik zo graag heen wou? Nou, er is dus- ik- Oh, lees maar gewoon zelf.”
Ze stopt Madison de Ochtendprofeet toe en wijst het artikel aan. Madison laat haar ogen eroverheen glijden.
“Een miljoen?” zegt ze ongelovig. Faith knikt een beetje warrig.
“Maar daar gaat het helemaal niet om!” zegt ze opgewonden. “Lijkt dat je niet super? Het lijkt me zo interessant. Én het zou een super onderwerp zijn voor mijn tweede boek!”
Madison slurpt eventjes aan haar thee, en kijkt overwegend naar haar artikel.
“Ok. Als jij gaat, ga ik mee!”
avatar
Bertje
Spookjager

Aantal berichten : 370
Registratiedatum : 15-11-08
Leeftijd : 42
Woonplaats : Kruideniersstraat 71

Profiel bekijken http://hauntedmansion.actieforum.com

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: La Prologue

Bericht  Bertje op do nov 20, 2008 1:57 pm

Het verhaal van Robertus Janszoon
Moeder zit zachtjes wiegend in haar schommelstoel in het schemerlicht. De donkere, stoffige gordijnen laten maar één klein lichtstreepje door, die over de oude, gouden grammofoon valt, waar schel muziek uitklinkt. Moeder en Jasprina zingen in koor vrolijk mee.
“When I was a little girl, I asked my mother, what will I be…”
Robertus kijkt gebiologeerd op naar zijn grote zus, zijn treintje afwezig heen en weer rijdend.
“Will I be pretty? Will I be rich? Here’s what she said to me.”
Boven klinkt het valse pianospel van Arabella, en de schelle stem van Isadora, die haar begeleidt en corrigeert in haar muziekles. Buiten klinkt het getik van houten zwaardjes in het bloedstollende gevecht tussen Albertus en Jacobus.
“Que sera, sera, whatever will be, will be, future is not ours to see, que sera, sera…”
Jasprina, liggend op haar buik, wiebelend met haar beentjes in de lucht, pakt een klein wagonnetje van Robertus’ stoet, en rijdt er een rondje mee.
“Wat wordt jij als je later groot bent, kleine Robertus?” vraagt ze met oprechte nieuwsgierigheid. Robertus kijkt trots op.
“Spookjager!”
Johannes lacht hartelijk, Aelbrecht honend. Moeder zucht.
“Robertus, lieve jongen, spoken bestaan niet…”
“Welles!” protesteert hij. “Er zit een spook op m’n kamer!”
“Moet pappie de monsters onder je bed wegjagen?” vraagt Aelbrecht spottend. Robertus kijkt geïnteresseerd op.
“Zitten er monsters onder m’n bed?” vraagt hij nieuwsgierig. Moeder kijkt streng naar Aelbrecht.
“Aelbrecht Jan-Jacob, niet je kleine broertje voor de gek houden!”
Aelbrecht negeert haar, en buigt zich naar de kleine Robertus.
“Ja, een hele grote!” zegt hij met een grijns. “Met grote, gele tanden en rode gloeiende ogen!”
Robertus springt op en rent naar boven, zijn hartje kloppend in zijn keel, half angstig, half opgewonden. Hij duwt het luikje naar zijn zolderkamertje open, ploft op zijn deprimerend zwarte tapijtje en gaat op zijn buik liggen. Zijn tongetje half uit zijn mond, staart hij ingespannen naar de zwarte leegte onder zijn bed. Zou er echt een monster zitten.
“Bertje…” galmt het fluisterend door zijn kamer. “Beeertjeee…”
Robertus knippert, en krabbelt op. Hij wist het, hij wíst het! Er zat een spook op zijn kamer! Hij draait zich vlug naar het raam, en hij ziet inderdaad de schim van het jongetje in de vensterbank zitten, die hij al eerder gezien had. Verwonderd knipperend blijft hij de bewegingen volgen. Na een paar minuten staart hij in het grijnzende gezicht van Billy de Boerenjongen.

Billy de Boerenjongen, een boerenjongetje van 10 jaar oud. Woonde voor zijn dood op de boerderij, dezelfde boerderij als waar Robertus opgegroeid is, ver van de bewoonde wereld verwijderd. Afgemaakt is door zijn eigen vader. En Robertus kan héél goed begrijpen waarom, wát een klier. Neergeschoten met zijn vaders jachtgeweer. Hij gunde Robertus hetzelfde lot.

Robertus staat, helemaal alleen in de kamer, voor de open haard, opkijkend naar het opgezette hertenhoofd dat boven de schouw hangt. Eronder hangen zijn vaders twee jachtgeweren, die hij nog wel eens voor het kleiduifschieten gebruikt, gekruist. Die gedachte is nog nauwelijks zijn brein door of één van de geweren begint in de lucht te zweven. Verbluft en geschrokken kijkt hij ernaar.
“Bertje…” galmt het fluisterend door de kamer. Oh nee. Oh nee oh nee oh nee. Dit is niet goed. Dit is helemáál niet goed! Robertus gilt een hoog gilletje, maar hij hoort niemand naar hem toe rennen om de jongste telg van het gezin te komen rennen. Zo snel als zijn vierjarige beentjes hem kunnen dragen, rent hij blindelings naar de kamer waar hij denkt het veiligst te zijn; zijn zolderkamertje. Achter zich hoort hij een schot gelost worden, en ziekelijk gekakel. Hij rent, zo hard hij kan, hoort Billy honend lachend achter hem aan vliegend, nog een schot lossend, welke Robertus op een haartje mist, Robertus gaat bijna onderuit op de trap, duwt behendig zijn zolderluik open en gooit hem dicht. Hij hoort het geweer ertegenaan bonken, en Robertus drukt zich angstig tegen de muur. Maar hij dacht dat spoken lief waren! Hij moet ontsnappen, hij móet ontsnappen! Zijn blik glijdt naar het raampje, met de vensterbank. Natuurlijk, hij moet springen! Hij is zo váák uit de boomhut van zijn broers gesprongen! Hij klimt de vensterbank op en schuift het raam open. Het komt niet bij hem op dat zijn zolderkamertje een héél stuk hoger is dat het boomhutje van zijn broers, en hij springt zonder aarzelen. Er ontsnapt een geamuseerde “Whieee!” uit zijn mond als hij op toenemende snelheid naar beneden valt. Isadora, 14 op dat moment, kijkt om als ze hem hoort, en gilt.
“ROBERTUS!”
Ze slaat haar hand voor haar mond. Hij gaat te pletter vallen! Een paar centimeter boven de grond remt hij af in de lucht, en met een zachte plof landt hij op het gras. Robertus begint zenuwachtig te lachen. Ok, hij was oprecht bang toen Billy hem bijna vermoordde, maar die sprong was leuk! Hij wist wel dat hij kon vliegen!

Een jaar later; Robertus zit op zijn bed, zijn korte beentjes wiebelend over de rand, zijn eerste boek te lezen. Jasprina, zelf een heel erg slim en ijverig meisje, had hem enthousiast geprobeerd te leren lezen, en Robertus, met dezelfde leergierigheid, had dat in één zomer van haar geleerd.
“Piet zet de bloemen op tafel,” leest hij hardop, met fonkelende oogjes. “De bloemen zijn rood. De poes heet Miep. Miep springt op de tafel. Miep stoot de bloemen van de tafel.”
“Bertje…”
Robertus stopt abrupt, en kijkt op. Was dat Billy? Die had hij al heel lang niet meer gehoord of gezien. Nieuwsgierig legt hij het boek weg, en springt van zijn bed. De deur van zijn kast zwaait krakend open, en Robertus kijkt er nieuwsgierig in. Hij voelt een fikse duw in zijn rug, en hij belandt in één van zijn speelgoeddozen, doorboord door een stel treintjes en soldaatjes die in zijn rug en zij prikken. De kastdeur slaat dicht, en wordt in het slot gedraaid. Robertus gilt, en trapt wild met zijn armpjes en beentjes om eruit te komen. Aan de andere kant van de deur hoort hij Billy gierend van het lachen. Hij hoort geritsel, zacht getrappel, en gezoem. Gezoem? Er hangt een bij voor zijn neus. Een bij? Wat doet een bij in zijn kast? Voor hij het weet kruipen er uit alle kleine kiertjes insecten, levend en ondood. De levende insecten kruipen kriebelend over zijn huid, in zijn mouwtjes, broekspijpen, zijn kraag in; er kruipt een kakkerlak zijn mond in. Robertus gilt. De ondode insecten kruipen onder zijn huid. Robertus begint hysterisch te gillen. Er vallen allemaal dode insecten bovenop zijn hoofd, en Robertus begint nu écht hysterisch te huilen. Alles krioelt, hij wordt gek! Er loopt een spin over zijn gezicht, en hij jammert. Hij hoort zware voetstappen, die steeds luider wordt, en hij bonkt hysterisch op de deur.
“MAMA!” gilt hij. “MAMA, HELP!”
Zo gauw als de deur opengaat, verdwijnen de ondode insecten, en zijn slechts de levende en dode insecten over. Huilend springt Robertus in zijn moeders armen zo gauw als de deur opengaat, en moeder slaat paniekerig de insecten van hem af, hem sussend.

Zes jaar later
Robertus zit keurig achter de vleugel, Arabella en Jasprina muzikaal begeleidend bij hun zangles. Jasprina’s stem zweeft zoet en prachtig als een breekbare zeepbel door de lucht, Arabella krijst er schalkend doorheen.
“Lacrimosa dies illa. Qua resurget ex favilla . Judicandus homo reus. Huic ergo parce, Deus: Pie Jesu Domine, Dona eis requiem. Amen.”
Robertus sluit het pianostuk af, en halt even diep adem.
“Nogmaals!” klinkt moeders stem uit de kamer ernaast. Robertus strekt even zijn vingers, en begint weer te spelen. Hij kijkt verbaasd op als er een uil de kamer binnen komt vliegen, en neerstrijkt bovenop de vleugel. Hij steekt zijn poot uit, en overhandigt Robertus een brief, overhandigt met gifgroene letters. Nieuwsgierig pakt Robertus hem aan.

“IK BEN EEN TOVENAAR?!”

Robertus zit glimlachend in de Zweinstein Expres, zijn hoofd tegen het raam leunend, dromerig naar buiten starend. Hij zat in zijn zevende jaar, en het was Kerstvakantie. Hij is juist op weg naar huis. Sterker nog, naar de bruiloft van Jasprina! Hij glimlacht nog breder bij de gedachte. Hij was zó trots op haar. Maar de brieven die ze hem schreef voelden niet goed. Ze schreef over haar verloofde – William – alsof ze hem niet mocht. Maar dat kon toch niet?

De bruiloft was prachtig. Jasprina’s jurk overtrof met vlag en wimpel die van haar twee zussen bij hun bruiloften. Iedereen was vrolijk, er was veel gezang. Alleen Jasprina leek ongelukkig. Waarom keek ze zo triest? Zo intens bedroefd?

’s Avonds was er een groot feest, met een ruim gevulde dansvloer, maar Jasprina stond somber aan de kant. Als er mensen langskwamen glimlachte ze naar hen, de schijn ophoudend dat ze zich vermaakte, maar als Robertus haar benadert neemt ze de moeite niet.
“Wat is er?” vraagt hij bezorgd. Hij ziet hoe ze aarzelt, hoe ze er bijna “Niets, hoor,” uitfloept met een neppe glimlach, maar dan blijft haar gezicht toch somber, bedroefd. Ze bijt op haar lip.
“Oh, Robertus…” zucht ze, een snik onderdrukkend. “Ik hóud helemaal niet van hem! Hij is een rotzak, gemeen, ruw! Ik wíl niet met hem trouwen!”
Robertus kijkt haar niet-begrijpend aan.
“Maar-“
Ze glimlacht mistroostig.
“Oh, kleine Robertus, snap je het dan niet?” zegt ze met een waterig glimlachje. “Ik ben uitgehuwelijkt. Net als Isadora en Arabella.”
Robertus staart haar met open mond aan. Wat- uitgehuwelijkt? Waarom is hem dat nooit verteld? Vonden ze dat niet nodig? Hij wil er net wat van zeggen, als William achter Jasprina gaat staan.
“Hey,” begroet hij hen beide, trots glimlachend. Hij legt zijn hand op Jasprina’s schouder, en fluistert blozend iets in haar oor. Jasprina zet een gemaakte glimlach op, fluistert iets terug, en knikt dan. William legt zijn arm rond Jasprina’s middel, en begeleidt haar naar boven, richting de bruidssuite, zich van geen kwaad bewust. Robertus kijkt hen bezorgd na. Vlak voor ze de hoek omslaan, kijkt Jasprina om naar Robertus, en hij ziet een traan over haar wang rollen.

Robertus zit de volgende morgen met wallen onder zijn ogen aan de ontbijttafel. Het feest was behoorlijk laat geworden, ook na het vertrek van het bruidspaar, en zo weinig slaap kan Robertus niet aan. Versuft staart hij naar zijn gebakken ei. Zwijgend zit de familie Janszoon rond de tafel; één plaats is nog vrij.
“Waar zit Prien toch?” vraagt moeder, lichtelijk ongerust. “Robertus, ga jij haar eens zoeken!”
“Ja moeder,” antwoordt Robertus, en hij staat op. Hij loopt richting de trap. Onderaan de trap staat William met 3 vrienden, trots vertellend over wat voor een geweldige vrouw Jasprina is, en hoe gelukkig hij wel niet is.
“Weet je toevallig waar ze is?” vraagt Robertus. “We wachten op haar bij het familieontbijt.”
“Ze sliep nog toen ik wegging,” antwoordt William. “Ik had wel willen wachten, maar ik wou haar niet wakker maken, en ik moest zelf ook op tijd bij mijn ontbijt zijn. Ik neem aan dat ze nog in de kamer is.”
Robertus knikt, en loopt naar boven. Hij klopt op de deur van de suite.
“Jasprina?”
Hij klopt nogmaals.
“Prien?”
Stilte. Hij aarzelt even, maar doet dan de deur open. Hij verstijft. Daar ligt Jasprina, in een witte nachtjapon, op het bed. Haar handen zijn rood, en op haar polsen staan twee dieprode strepen. Geschokt, verdrietig en wanhopig laat Robertus zich op zijn knieën vallen.

Haar begrafenis was prachtig. Ze lag in een open kist. Ze was dood nog net zo mooi als levend; de balsem zorgde ervoor dat ze eruit zag als een prachtig, teder, porseleinen popje. Haar polsen waren verbonden met wit satijnen linten. Haar witte bruidsjapon deed haar eruit zien als een engel. Haar haar was met veel zorg door Isadora en Arabella gedaan, de bloemen door de broers en moeder. Robertus verzorgde de muziek. Hij kon zich niet goed concentreren en schoot af en toe de mist in, maar niemand nam hem dat kwalijk. Jasprina zou bemoedigend gelachen hebben, hem een aai over zijn bol gegeven hebben en vrolijk doorgezongen.

De pijn van het verlies van Jasprina was te groot, voor heel de familie Janszoon. Ze had zich zo groot en sterk gehouden, niemand had ook maar vermoed dat ze ongelukkig was. Vader was aan de drank gegaan. Robertus zit een maand later somber in één van de fauteuils van de Ravenklauwleerlingenkamer. De brief ligt slapjes in zijn gevoelloze handen. Hij had de brief al een stuk of 5 keer vol ongeloof gelezen. Hij kende hem misschien wel al uit zijn hoofd. Naast hem zweeft de Grijze Dame, die zwijgend meeleest. Het is stil, hij is samen met haar de enige in de leerlingenkamer. Hij staart glazig naar het beeld van Rowena Ravenklauw.
“Gecondoleerd,” wordt er zachtjes gefluisterd, voor Helena wegzweeft.

Alcoholvergiftiging. Hubertus Janszoon was overleden aan alcoholvergiftiging. Hij zou regelen dat hij naar huis mocht gaan, professor Perkamentus zou dat toch wel begrijpen? Natuurlijk wel. Maar hij moest eerst zijn eerste P.U.I.S.T.en uitzitten. Hij heeft bijles aangevraagd, gewoon voor de zekerheid. Het kostte hem een paar dagen om professor Sneep te overtuigen, maar zelfs dat is gelukt. Een week later. Nu kan hij naar huis. Met een brok in zijn keel zit hij op de trein naar huis. Het grind knispert onder zijn voeten als hij naar de voordeur loopt. Hij zit op slot. Robertus zucht, zet zijn hutkoffers op de grond, en loopt het huis om, om de achterdeur te proberen. Moeder lag in het zwembad.

Zijn ouders waren schatrijk. Hij wist het, maar hij had het nooit echt beseft. Tot hij de cheque in zijn handen kreeg. ƒ300.000,- . Hij erfde 300.000 gulden. En dat was nog maar een zevende deel. Zijn ouders bezaten 2,1 miljoen. ƒ2.100.000,- ! De bezittingen werden verdeeld over alle broers en zussen, maar veel had hij niet echt gekregen. Een oude schommelstoel, stuk gewiegd door zijn moeder, en zijn oude kinderwagen. Hij had graag de klok van de schoorsteenmantel willen hebben, maar daar was Kwalbrecht al mee vandoor gegaan. Hij wist niet wat hij met al dat geld aanmoest. Hij ruilde een flink deel in voor Galjoenen; er zijn genoeg verzamelaars die een moord doen voor Dreuzelgeld. Dat leverde hem bijna nog meer geld op. Hij stopte alles weg in zijn kluis in Goudgrijp, en begon eerst aan zijn studie aan de ISA.

Aelbrecht Jan-Jacob werd niet al te lange tijd later door zijn vrouw vergiftigd, welke er vervolgens met het geld vandoor is gegaan. Ze werd een maand later op de Bahamas teruggevonden en zit nu voor levenslang in de bak.
avatar
Bertje
Spookjager

Aantal berichten : 370
Registratiedatum : 15-11-08
Leeftijd : 42
Woonplaats : Kruideniersstraat 71

Profiel bekijken http://hauntedmansion.actieforum.com

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: La Prologue

Bericht  Bertje op do nov 20, 2008 1:57 pm

Robertus ligt met een blije glimlach languit op het grasveld op de binnenplaats. Ze zaten met maar 6 man in zijn jaar op het SI. Hij, 5 andere jongemannen en Rosemary. Wauw. Hij had nog nooit zo’n mooie vrouw gezien. Ze was betoverend, net een soort engel, en ze was nog ontzettend lief ook. Maar ze zou toch nooit iets in hem zien, waarom hij…

Hij deelde zijn kamer met Matthew, een hyperactieve maar aardige jongen. Hij had de tijd van zijn leven op het SI. De andere spookjagers in spe waren net zo knettergek als hij, en het deed hem goed verenigd te zijn soortgenoten. In plaats van uitgaan, zochten zij begrafenissen op, mengde zich met het rouwende volk, en dan was het de uitdaging zo lang mogelijk niet gepakt te worden. Als niemand gepakt werd, vierden ze die avond na sluitingstijd in het mortuarium een feestje, en als ze geluk hadden werd die bijgewoond door een stel geesten.

“Waar kende je Melissa van?” vraagt de lange man met de vogelneus, met zijn trage, diepe stem. Robertus trekt een verdrietig gezicht.
“Ze was bevriend met mijn broer,” liegt hij zo goed geacteerd, dat Rosemary eventjes waterig glimlacht. “Ze kwam wel eens bij ons thuis.”
De man met de vogelneus knikt droevig.
“Is je broer hier ook?” vraagt hij. Robertus knikt, en wijst naar Samuel, die even verderop met een dikke vrouw met een knotje staat te praten. De man kijkt even zwijgend naar Samuel, geen gelijkenis in beiden zien, maar schudt dan weer droevig zijn hoofd.
“Wil je haar misschien een afscheidskus geven?”
“P-pardon?”

“Dat was NIET grappig! Dat was GOOR!”
Timothy moet zich aan Samuels schouder vastklampen om niet op de grond te vallen. Matthew grijpt krampachtig naar zijn buik. Rosemary probeert haar gelach te verbergen, maar faalt. Bram rolt letterlijk over de grond van het lachen. Michiel houdt met veel moeite zijn kaken op elkaar geklemd en geeft Robertus een bemoedigend klapje op zijn rug. Zijn gezicht is rood van de ingehouden lach.
“Dude, dat was zó grappig,” lacht Timothy. Robertus draait de kraan dicht en veegt nog eens vol walging zijn mond af. Báh!

Robertus staart naar zijn trillende handen. Hij gaat het haar zeggen, hij gaat het haar gewoon zeggen! Maar wat als ze nee zegt? Niet aan denken, hij gaat het gewoon zeggen. Hij staat op, en loopt vastberaden naar haar kamer. Beneden in de woonkamer zitten de jongens te kaarten, dat weet hij; Rosemary zit alleen op haar kamer. Hij klopt aan.
“Binnen,” roept ze met haar zachte stem. Aarzelend, wegrennen in overweging nemend, doet Robertus de deur open. Rosemary glimlacht.
“Hoi Robertus,” zegt ze vrolijk. “Is er iets?”
Robertus opent zijn mond een paar maal, maar er komt alleen wat primitieve geluidjes uit, alsof hij een aap is. Rosemary giechelt even, en gebaart dat hij naast haar op het bed moet komen zitten. Robertus onderdrukt de neiging om weg te rennen, het land uit te vluchten, zijn naam te veranderen en vraagt zich af hoe duur plastische chirurgie is, maar voor hij het weet zit hij al naast haar.
“Wat wou je zeggen?” vraagt ze vriendelijk. Robertus doet zijn best om niet weer te hakkelen, maar slaagt daar maar half in.
“Ik- Jij- Euhm- Ik vi- Hm-…” stottert hij. Hij probeert uit zijn woorden te komen, maar het lukt hem niet. Rosemary blijft bemoedigend glimlachen.
“W-wil je missssschien-? Ik bedoel-”
Rosemary klemt zijn hoofd tussen haar handen, blijft glimlachen, en knikt dan. That’s it? Ze- ze snapt het? Ze buigt zich voorover en sluit haar ogen.

Een jaar later
Robertus zit zwijgend op één van de sofa’s. De jongens zijn aan het kaarten, wat een soort vast ritueel is geworden op zondagavond. Alleen Timothy mist. Hij verveelt zich.
“Ik ga even kijken waar Rose is,” verkondigt hij. Samuel knikt, en mist daardoor net zijn kans als Matthew met een luide “JAAA!” met zijn vuist op de tafel ramt. Robertus loopt naar boven, en duwt zonder kloppen of nadenken de deur naar Rosemary’s kamer open.
“Rose-“

Het was een weddenschap geweest, het was allemaal één grote weddenschap geweest. Hij wist het eigenlijk wel, had het wel een soort van aan zien komen. Niemand begint iets vrijwillig met hem. Vier galjoenen. Zou ze het voor een sikkel minder niet gedaan hebben?

Robertus zit zwijgend in zijn grote, bruine, leren fauteuil. Het enige geluid dat klinkt, is het tikken van zijn staartklok, het ritmische geritsel van de stoffer die over de schoorsteenmantel scheert, en Emma’s zachte geneurie. Hij volgt zwijgend even haar handelingen, als ze zich omdraait en naar hem keert.
“Meneer Janszoon?”
“Hmm?”
“Welke voorkeur geeft u voor de lunch van vandaag?”
Robertus glimlacht even.
“Verras me.”
Emma knikt, maakt een kort kniebuiginkje en loopt naar de keuken. Een paar minuten later dringt de heerlijke geur van een goedverzorgde groentesoep zijn neus binnen. Robertus draait zich om, en pakt de Ochtendprofeet die op zijn bureau ligt.
“Meneer Janszoon, de soep is klaar,” klinkt het na een paar minuten uit de keuken. Robertus vouwt de Ochtendprofeet op, en loopt naar de keuken. Hij gaat zitten, en krijgt een kom soep voorgeschoteld van Emma.
“Vindt u het erg als ik mee-eet, meneer?”
“Natuurlijk niet.”
Opgewekt gaat Emma tegenover hem zitten aan de keukentafel, terwijl beiden zwijgend de lepel pakken en beginnen te eten.
“Emma?” zegt Robertus na een tijdje.
“Ja, meneer Janszoon?”
“Je zal het huis 2 weken voor jezelf alleen hebben.”
“Oh?”
Emma kijkt nieuwsgierig op. Robertus schuift haar de Ochtendprofeet toe en wijst het artikel aan.
avatar
Bertje
Spookjager

Aantal berichten : 370
Registratiedatum : 15-11-08
Leeftijd : 42
Woonplaats : Kruideniersstraat 71

Profiel bekijken http://hauntedmansion.actieforum.com

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: La Prologue

Bericht  Bertje op do nov 20, 2008 1:59 pm

Het verhaal van Amy Elliot
-Ding dong-
James loopt al richting de deur voor Amy noch haar vader op hebben kunnen kijken. Het is die rare man weer. Die enge man, die nu al bijna een maand bijna elke dag bij mama komt kijken. Hij heeft een lange zwarte jas aan, en doet Amy huiveren. Wat moet hij hier toch steeds? Ze onderbreekt de dressuurwedstrijd van haar plastic paardjes om even op te kijken als de man langsloopt. Hij kijkt eventjes naar haar om, glimlacht vriendelijk, tilt zijn hoed een stukje op, knikt, en loopt dan weer gauw door naar de slaapkamer. Amy huivert.

“Meneer Elliot, mejuffrouw Amy?”
Beiden kijken op. Die lange, enge man staat er weer, nu in de deuropening van de woonkamer naar de gang, zijn hoofd lichtjes gebogen en zijn handen voor zich gevouwen. Haar vader snakt naar adem, meteen voor het ergste vrezend, en schiet omhoog.
“Mevrouw heeft uw aanwezigheid gevraagd,” zegt de man met kalme stem. Waarom kwam James hen dan niet gewoon halen? Ietwat opgelucht loopt pappie al naar de deur toe, en kijkt even naar zijn kleine prinsesje om.
“Blijf jij maar even hier, lieverd,” zegt hij met een lief glimlachje, die al zijn wanhoop maskeert.
“Ik denk dat het mevrouw goed zal doen als Amy er ook bij is,” brengt de man ertegenin. Pappie kijkt hem verwijtend aan.
“Ik wil niet dat Amy blootgesteld wordt aan dingen als dit,” sist hij, net niet zacht genoeg. Amy kijkt nieuwsgierig en angstig van pappie naar de man.
“Ik wil naar mama!” jammert ze. Ze staat op, rent naar haar pappie en gaat aan zijn been hangen, schuw naar de enge man kijkend.
“Strakjes, lieverd,” zegt hij zacht. Hij geeft haar een aai over haar bol en werkt zich dan los, om zich naar zijn doodzieke vrouw te begeven.

“Jaaames!” zeurt Amy. James zucht, en blijft in zijn strakke houding bij de deur staan.
“James, kom nou met míj spelen!” blaft ze verontwaardigd.
“Mejuffrouw Amy, ik kan echt nie-“ brengt hij er nog tegenin, maar Amy is al opgesprongen, wijdbeens voor hem gaan staan, opstandig haar handen in haar heupjes en heeft een uiterst kille blik opgezet.
“Dán zeg ik het tegen pappie.”
James slikt, kijkt even vlug om zich heen, en laat zich dan op zijn knieën vallen. Hij pakt met enige tegenzin het prinsje, terwijl Amy zich met een tevreden gezichtje weer op de grond laat vallen en het kleine prinsesje pakt. De deur zwaait open. James springt vliegensvlug op en gaat weer in zijn strakke, onderdanige houding staan. Het is de enge man. Hij kijkt neer op Amy, die angstig terugkijkt.
“Mejuffrouw Amy, komt u maar even mee,” zegt hij zacht en treurig. Amy piept zachtjes, niet met die enge man meewillend, en kijkt smekend op naar James. Deze buigt echter even naar de enge man, en loopt dan weg. De man steekt met een vriendelijke glimlach zijn hand uit, en dwingt Amy met zijn blik hem aan te nemen. Amy slikt, maar pakt hem dan toch aan en loopt met de man mee naar de slaapkamer. Daar ligt mama in haar bed, te slapen, en pappie zit ernaast. Maar hij… huilt? De man laat haar hand los, knikt nog even naar haar vader, maar die ziet het niet, verlaat dan de kamer en sluit de deur achter zich, de Elliots alleen latend. Amy trippelt naar haar vader toe.
“Pappie? Waarom huil je?” vraagt ze hem, verward. Haar vader kijkt op, pakt trillend haar kleine handjes die bij hem in één hand passen, en aait met de andere even over haar bolletje, mistroostig glimlachend.
“Weet je nog dat ik zei dat mama een beetje ziek was?” zegt hij met een schorre stem van het huilen. Amy knikt traagjes, hem nog steeds niet-begrijpend aankijkend.
“Maar ze wordt toch wel gewoon weer beter?” zegt ze. Pappie schudt zijn hoofd langzaam.
“Ze wordt niet meer beter, lieverd,” fluistert hij. Wa-wat? Hoezo ‘niet meer beter’? Ze kijkt nu nog verwarder van pappie naar mammie. Maar-… ze ziet er helemaal niet ziek uit!
“Ze slaapt!” zegt ze, fronsend, en ze kijkt vragend naar pappie. Deze barst in huilen uit, en verbergt zijn gezicht in zijn handen. Amy schudt chaotisch haar hoofd, nu nog verwarder. Heeft ze iets verkeerds gedaan? Waarom moet pappie nou weer huilen? Ze slaapt toch alleen maar?
“Mama, word wakker,” jammert ze, terwijl haar onderlip begint te trillen. Waarom doet pappie zo? Hij maakt haar bang! Ze begint hevig aan haar moeders arm te schudden.
“Mama, word wakker!” huilt ze. Haar vaders armen glijden om haar middel, ze wordt naar achteren op zijn schoot getrokken en stevig door pappie geknuffeld. Ze verbergt haar gezicht in zijn borst en huilt.

“Pappie?”
“Ja, lieverd?”
“Ik wil een paard!”
Haar vader, 5 jaar later, kijkt op van zijn krant.
“Een paard?”
“Ja, een paard ja!”
Amy kijkt hem dwingend aan. Ze moet en zál een paard krijgen, íédereen in de buurt heeft een eigen paard! Haar vader kijkt haar aarzelend aan.
“Een paard? Lieverd, weet je wel zeker dat je zoiets écht wil?” vraagt hij onzeker.
“Ja, heel zeker!”
Ze trekt grote puppy-oogjes.
“Alsjebliiieeeft?”
Er verschijnt een flauw glimlachje op zijn gezicht.
“Natuurlijk, lieverd.”

Hij had zich sinds de dood van zijn vrouw schuldig gevoeld. Hij had het gevoel dat haar dood zijn schuld was, en dat hij Amy te veel verwaarloosd had. Maar nu zou hij goed voor haar zorgen. Hij zou er altijd voor haar zijn. Het kindermeisje was ontslagen, en hij zou alle zorg op zich nemen. Hij was magische en succesvolle aandelenhouder, waardoor hij niet vast zat aan werktijden, en altijd tijd door kon brengen met zijn kleine prinsesje. Hij gaf haar altijd wat ze wou, alles om haar gelukkig te maken. Het was zwaar, ze werd met de jaren veeleisender, maar niets maakte hem gelukkiger dan haar glimlach te zien als ze weer blij was, als ze iets nieuws krijgt. Maar… was het niet te veel? Nee, natuurlijk niet, Amy was toch gelukkig?

Amy kijkt nieuwsgierig opzij naar haar afdelingsgenoten, in de leerlingenkamer van Zwadderich. Eén van hen is aan het pochen met zijn nieuwe ketel. Ugh, wat een loser. Heel subtiel trekt ze haar eigen ketel uit haar koffer, zet die in het volle zicht van de anderen, glimlacht mierzoet en begint haar spullen uit te pakken. Sukkels. She rules, and she knows it.

Amy tuurt ingespannen naar de plattegrond in haar handen. Wáár was dat lokaal? God, waar is Brenda als je haar nodig hebt? Ze zucht geïrriteerd, en kijkt rond. Ze ziet maar één deur- wacht! Daarnaast hangt een bordje met ‘lokaal 131’. Hey, maar dat hing er net nog niet… of is zij nou gek? Hoe dan ook, het is het lokaal dat ze nodig heeft. Opgelucht dat ze het heeft gevonden, loopt ze erheen, doet de deur open, en krijgt een harde duw in haar rug. Ze gilt, en valt voorover in een met spinnen bezaaide bezemkast. Ze ziet een ouder tweetal, ook uit Zwadderich, uit het zesde jaar, de een witblond, de ander bruinharig, beide gierend van het lachen. De blonde grijnst gemeen naar haar, doet de deur dicht, en Amy hoort hem in het slot vallen. Ze gilt, heel hard en héél hoog, met haar vuistjes tegen de deur rammend. IEUW IEUW IEUW, ZOVEEL SPINNEN!

Stom, stom, STOOOOM! Stomme, stómme kinderachtige Robin en, euh, hoe heette hij ook alweer? Oh ja, Finn, ofzo. Stom joch. Kínderachtig gewoon. Nog boos van de vorige keer, stapt ze de Grote Zaal binnen, omringd door haar ‘vrienden’kring, druk roddelend en ratelend als een stel kippen. Hij haatte ze nu al, stomme dellen, die haar alleen maar lastigvielen met onzinnigheden die Amy helemaal niks konden schelen. Ze waren zo onbelangrijk, ze was zó veel beter dan hen. Ze kijkt geïrriteerd op als Mary-Anne haar schelle stem weer verheft om op het gesprek in te haken.
“Oh, houd je kóp!” snauwt ze, en ze laat zich op de bank ploffen aan de tafel. Het groepje is onmiddellijk stil, en gaat onderdanig naast haar zitten. Mooi. Zo hoort het. Eindelijk rust. Stelletje kippen. Ze heeft haar hand nog nauwelijks uitgestoken om een appel te pakken als ze ruw bij haar staarten gegrepen wordt. Ze gilt, en haar vriendinnen springen met een soortgelijk gilletje opzij en achteruit. Haar hoofd wordt ruw tegen de tafel gedrukt, en ze hoort het onmiskenbare gebrul van Robin en Finn.
“Robin, Robin, de schaar!”
Amy gilt het uit. SCHAAR?? WAT- WAT GAAN ZE MET HAAR DOEN?? -Snip-
“LAAT ME LOS!” gilt ze.
“Okiedokie!”
Met een grijns laat Finn haar los, en houdt haar een spiegel voor.
“Zie je er niet mooi uit?”

“COOLSAET! MEESTER*! MIJN KAMER! NUUUU!”

Amy gluurt voorzichtig om het hoekje. Ze ziet de twee daar al staan, gniffelend. Ze zou ze eens terugpakken. Haar vinger glijdt even over het kistje, het begint te schudden, alsof hij haar aanraking voelde. Ze haalt de sloten eraf, gaat erachter staan, en doet de deksel met veel liefde open. ZOEF, daar vlogen de Beukers.

“Zomerkamp?”
Amy kijkt haar vader op haar 15e ongelovig aan. Haar vader knikt.
“Dat is goed voor je,” zegt hij.
“Maar- dan moet ik kampéren??” vraagt ze walgend.
“Ja, dan zal je moeten kamperen.”
“PAPPIE!”
“Amy, alsjeblieft, luister nou voor één keer naar me…”

Amy staat bloedje chagrijnig, met haar armen over elkaar geslagen, voor het hek van het kamp. Stom stom stóm kamp! Nu al! In de verte ziet ze een lantaarn in de lucht bengelen, steeds dichterbij komend, en als hij dichtbij genoeg is kan ze een- oh my, een héle knappe jongen onderscheiden. Hij glimlacht naar haar, en doet het hek open.
“Hoi,” begroet hij haar. “Jij bent…?”
“A-Amy,” stamelt ze blozend. Hij steekt zijn hand uit.
“Jonathan.”

Johnathan was 18, en perfect. Hij was knap, aardig, grappig, had leuke vrienden, en kende iedereen. Hij organiseerde elke avond een feestje, zonder dat de leiding daar achter kwam, en Amy had de tijd van haar leven op het kamp. Twee dagen nadat Amy aangekomen was kregen ze ‘verkering’.

Het is al ongeveer 1 uur ’s nachts, Amy is doodop. Hierna nog maar één dag, en dan zouden ze het kamp verlaten. Tegen eigen verwachting in is ze teleurgesteld. Maar ze zal in ieder geval in contact blijven met Jonathan. Ze ligt in haar tentje, en ze ziet door het tentdoek heen nog de lichten van het feest. De afgelopen nachten was ze niet eerder weggegaan, maar ze kon gewoon niet meer, ze is echt gesloopt. Ze luistert zwijgend en met een gelukzalig glimlachje naar het geluid van de krekels die ze op den duur wel op prijs is gaan stellen, vermengd met het verre geluid van het feest dat steeds rustiger begint te worden. De tent wordt opengetrokken; Jonathan stapt glimlachend naar binnen.
“Hey, schat.”
Hij heeft een fles champagne in zijn hand, gejat uit het dorp naast het kamp. Hij gaat naast haar liggen, trekt de fles open, en schenkt voor hen beide wat in, in plastic bekertjes.
“Mijn kleine prinses kon het feest toch niet missen?” zegt hij glimlachend, en hij geeft Amy een kus. Ze giechelt, en kust hem blij terug. Aww, wat is hij toch lief! Ze drinken wat, en naarmate de fles leger wordt, begint Jonathan woordjes in haar oor te fluisteren waar Amy steeds heviger van moet blozen. Zijn gekus wordt ook steeds heviger, en Amy voelt haar hartje ergens in haar keel kloppen. Hij krabbelt bovenop haar, en Amy snakt naar adem als ze zijn hand op haar borst voelt. Even voelt het alsof de tijd bevroren is; hij kijkt haar lang, diep in de ogen aan, zij kijkt hem ook lang, haast aarzelend aan. Zenuwachtig en nerveus laat ze het toe.

Pappie vertrouwde Jonathan niet. Hij vond hem van slechte invloed, was bang dat hij zijn pure Amy zou bederven.
“JE HAAT ME!”
Huilend slaat ze de deur achter zich dicht.
“Maar Amy-“
“GA WEG!”
Hij hoort haar huilend op haar bed, en zijn hartje breekt. Maar… hij heeft alleen maar het beste met haar voor! Hij wil alleen maar dat ze gelukkig is, en een gevoel in hem zegt dat ze niet gelukkig is of zal worden met Jonathan.
“Amy, het spijt me-“
“GA WEEEG!”
“Ik had niet zo tegen je moeten uitvallen.”
Het huilen stopt.
“Als jij echt gelukkig bent met Jonathan, dan accepteer ik dat.”
Nog steeds stilte.
“Jij weet natuurlijk beter dan ik of je gelukkig bent of niet.”
De deur gaat open, en Amy vliegt hem snikkend om de hals. Opgelucht knuffelt hij zijn kleine meisje.
“Ik houd van je, papa,” fluistert ze.
“Ik ook van jou.”
avatar
Bertje
Spookjager

Aantal berichten : 370
Registratiedatum : 15-11-08
Leeftijd : 42
Woonplaats : Kruideniersstraat 71

Profiel bekijken http://hauntedmansion.actieforum.com

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: La Prologue

Bericht  Bertje op do nov 20, 2008 2:00 pm

De drank vloeit veel te rijkelijk. Amy, vermoedelijk de nog enige nuchtere, is de enige die het ziet, en zich eraan irriteert. Normaal gesproken zijn Jonathans vrienden hartstikke leuk om mee om te gaan, maar dronken zijn ze ronduit onbeschoft. Ze zucht geïrriteerd, ze wil hier wég. Ze staat op.
“Ik ga alvast naar boven,” zegt ze met een klein glimlachje tegen Jonathan. Zijn adem stinkt naar drank en hij grijpt naar haar kont, met een ondeugend lachje. Geïrriteerd loopt Amy naar boven.

Ze staart afwezig naar het plafond. Beneden klinkt het zeehondengelach van Jonathan en zijn vriendin nog luid door het dunne plafond. Ze hoort voetstappen op de trap, en even later gaat de deur open. Ze kijkt niet op, ervanuitgaande dat het Jonathan is. Ze draait zich op haar zij, met haar rug naar zijn plek toe, want ze is nog steeds geïrriteerd met hun lompe, dronken gedrag. Het bed zakt een stukje in als hij achter haar komt liggen. Ze voelt zijn armen meteen om haar middel schieten.
“Jonathan, niet doe-“
Ze draait zich om, en gilt. Het is Jonathan niet. Het is Matthew. Hij smoort haar gegil door zijn hand over haar mond te leggen. Hij gaat half bovenop haar liggen, terwijl Amy tegenstribbelt, maar hij is te sterk voor haar. Hij trekt zijn staf, en legt haar magisch het zwijgen op. Zijn handen zijn overal, en Amy snikt het geluidloos uit. Ze probeert hem van zich af te duwen, maar hij is gewoon te sterk, en kan haar haast op zijn gemak, met beneden de uitgeschakelde, dronken jongens, verkrachten.

Amy begraaft haar gezicht snikkend in Jonathans borst.
“Ik voel me zó vies,” jammert ze. Jonathan knuffelt haar, en sust haar.
“Stil maar… het is goed… je bent niet vies… het is niet jouw schuld… Ssht, Amy, je bent géén slet, lúister nou eens naar me! Je kon er niets aan doen… Ssht, stil maar… stil maar lieverd…”

Hij deed aan straatraces. Hij jatte Dreuzelauto’s, en voerde ze dan met magie op. In het begin had Amy het wel eng gevonden, was bang voor zijn leven, maar naarmate ze bij meer races aanwezig was, des te meer ze er een kick van kreeg, en dat was alleen nog maar het kijken. Mooi dat ze geen stap zette in één van die racemonsters, daar is Amy nog net iets te bang voor. Maar ze is wel aanwezig bij elke wedstrijd, en voor vele geeft ze – volgens het ritueel – het startsein. Hotpants, barnyardblousje en een roze sjaaltje als het startsein. Altijd is het goed gegaan. Tot die ene fatale avond.

Met 250 km/h op een lantaarnpaal ingereden. Hij was opslag dood. Drie Dreuzels kwamen om, één tovenaar ligt in kritieke toestand in het St. Holisto’s. Amy staat snikkend tegen haar vader aan. Haar Jonathan, haar lieve, lieve Jonathan… dood… Het voelt alsof haar leven uit elkaar valt, als een glas in duizend stukjes breekt, alsof het cruciale Jenga-stukje uit de toren getrokken wordt. Haar vader omhelst haar, probeert haar te troosten, maar ze is ontroostbaar. Om haar heen staan allemaal Dreuzelagenten, en vermomde Schouwers. Er klinken sirenes, dichtbij, ver weg, overal. Er hangt een lint om het tafereel. Ze zag hoe zijn lijk, onder het witte doek, de ambulance in werd gedragen. Zo veel mensen proberen met haar te praten, agenten, verplegers, journalisten, maar Amy blijft ineengedoken tegen haar vader aanstaan, huilend, terwijl James hen boos wegstuurt.

De begrafenis was waardeloos. Zijn ouders waren straatarm, maar weigerden het geld van Amy aan te nemen. Waar het op neer kwam, was dat Jonathan in een lelijk houten kistje gekeild werd op het kerkhof met de goedkoopste grafhuur in de stad. Er was bijna niemand; een handjevol vrienden, maar afgezien van zijn ouders geen familieleden. Amy droeg een lang, prachtig gedicht aan hem op, eentje waar ze zelf ontzettend trots op was, voor ze afscheid van hem nam, voor zijn kist onder de grond ging, voordat de eerste schep aarde er door haar opgegooid werd, voordat het graf dichtgegooid werd, voordat de vergeetmenietjes er fleurig op bloeiden. Vaarwel, lieve Jonathan.

Amy staart versuft naar haar Transfiguratie boek. Nog maar één weekje, dan was ze klaar! Dan was ze voorgoed klaar met Zweinstein! Nog één keer goed leren, dan kon ze haar P.U.I.S.T.en halen! Nog één keer, maar het leek nog zo ver. Ze kan zich niet concentreren. Ze zucht opgelucht als ze onderbroken wordt door een uil die de Ochtendprofeet bovenop haar boek gooit. Ze ontvouwt hem, en speurt de voorpagina af. Nope, niets belangrijks. Maar- nu moet ze weer verplicht aan haar Transfiguratie… Opzoek naar een excuus om niet te leren, vouwt ze de Profeet weer open, en begint een paar artikelen te lezen.
“Wat zit jij te glunderen?” vraagt Lucy, een vriendin, haar. Amy glimlacht, en stopt haar de Profeet toe.
avatar
Bertje
Spookjager

Aantal berichten : 370
Registratiedatum : 15-11-08
Leeftijd : 42
Woonplaats : Kruideniersstraat 71

Profiel bekijken http://hauntedmansion.actieforum.com

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: La Prologue

Bericht  Gesponsorde inhoud


Gesponsorde inhoud


Terug naar boven Ga naar beneden

Terug naar boven


 
Permissies van dit forum:
Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum